Archief Etcetera


The Attendant's Gallery, het oor



The Attendant's Gallery, het oor

[de vrouw die het grote oor dat haar zo goed begreep en beschermde heeft afgesneden, en nu met een stukje ervan er op uittrekt om her en der er bovenop te gaan liggen zonnen]

the attendants' gallery pieter de buysser

het oor

Ik moet een bekentenis doen. Ik was alleen. Al lang. De nachten werden steeds langer en kouder, en ik eenzamer. Uit al mijn gaten lekte niets, een langzaam zich verspreidend stom niets. Mijn zintuigen kenden geen onderscheid meer: alles was vreemd en gelijk. De wereld was niet de mijne, ik was niets dan een geluidsgolf van de wereld. Er werd op mijn deur geklopt maar ik hoorde het niet. Ik ging iedere dag een aantal keer van de tafel naar het venster en intussen werd ik gezijnd zonder dat ik er iets van hoorde of zag. Ik was veilig. Iets anders bereikte me niet. Zoals ik mijn rug krabte zonder jeuk te hebben nam ik een boek. Ik hoorde Baudelaire. De schoonheid van Sophocles troostte me, ik vond een luisterend oor bij Shakespeare en Voltaire. Ik las hen en ik sprak met hen. Ze begrepen mij. Ze luisterden naar mij. Vreemdelingen klopten aan mijn deur maar ik hoorde niets. Dostojevski en Camus omvatten en doorgronden mijn ziel. Hoe meer ik eenzaam was, hoe meer ik weende en klaagde, hoe groter er een oor uit mijn boekenkast kwam gegroeid. De hele Europese beschaving groeide samen in een lap orenvlees van steeds uitdeinende meters. Ik kwam niet meer buiten. Een groot kronkelig oor met zachte haartjes. Ik kon er eerst mijn arm in leggen, maar al snel ook mijn been, en spoedig een tweede been. Het oor bleef maar groeien. En ik was gelukkig, zo begrepen had ik me nog nooit gevoeld, zo'n aandacht, zo'n begrip, zo'n gehoor had ik nog nooit gekregen. Ik alleen met al mijn twijfels en mijn waarheden, mijn feiten en mijn overtuigingen, ik werd omhelsd door het steeds groeiende oor van de Europese beschaving. De waarheden van kunst en wetenschap, de politieke dromen en de erotische, de schilderingen van onze angsten en onze liefdes, die onnoembare schat aan duizenden jaren Europese beschaving groeide en groeide tot een oor dat als een warm deken me omvatte. Buiten werd er gemoord om allerlei anders. Ik sloeg het grote oor om mij heen en ik voelde me geborgen, veilig en beschermd. Zo heb ik een behoorlijke lange tijd geleefd. Ik wilde er niet meer



uit. Ik had het goed: beschut en begrepen door onze beschaving. Op enkele jaren tijd werd ik een erudiet. Af en toe baande ik me met mijn handen flap na flap een weg naar het buitenlicht: door een kier keek ik en tot mijn grote verbazing herkende ik nog weinig van wat ik zag. Er lagen lijken en lichamen in de straten, ze schreeuwden in vreemde talen en smeekten om goden die ik niet kende. Het stond me niet aan en ik dook gauw terug. Maar op een dag kwam ik in het grote oor een schilder tegen. Hij wou de werkelijkheid in zijn verf vangen, maar dan anders, opnieuw. Hij maakte me fataal verliefd op de werkelijkheid en ik wist: nu wil ik opnieuw beginnen. Ik wou vergeten en opnieuw kunnen beginnen onder de zon. Zoals die schilder die zwarte kraaien boven een veld zag, die zonnebloemen zag, die wanhopige schilder die helemaal opnieuw wilde beginnen en verder wilde gaan, zijn verf en zijn taal uitbreken en dan zijn oor afsneed om zo helemaal opnieuwer opnieuw te kunnen beginnen. Zo opnieuw dat hij wilde beginnen, zo nam ik ook een mes en sneed mijn oor af. Het was reuzachtig. Het bedekte bijna een voetbalveld. Het was onleefbaar: te groot om te dragen of om bij mij te houden. Ik moest er een klein stuk uit snijden. Sindsdien loop ik door de straten met een klein oor en hoor ik vreemde talen.

Volledig artikel als PDF

Auteur Pieter de Buysser

Publicatie Etcetera, 2007-09, jaargang 25, nummer 108, p. 31-32

Trefwoorden mijnbeschavinghoordegroeideflapbeginnenschildergallery

Namen BaudelaireCamusEuropeseShakespeareThe Attendant's GalleryVoltaire


Development and design by LETTERWERK